Mijn berouw, is dat genoeg?

Toen ik, als parochiepastor, voor het eerst binnenkwam in de wereld van de gevangenis maakte ik kennis met gedetineerde N. Hij vertelde mij dat hij het makkelijk had in detentie. ‘Want ik heb ook daadwerkelijk gedaan waarvoor ik veroordeeld ben. Ik kan begrijpen dat de samenleving zo’n daad niet onbestraft kan laten.

En ik probeer hier zo goed mogelijk uit te komen. Ik probeer mijn tijd hier nuttig te maken door mijn vak bij te houden en, waar mogelijk, mijzelf verder te ontwikkelen. Zodat ik beter de bajes uitkom, dan ik erin gegaan ben’. Hij omschreef zichzelf daarmee als de ‘ideale gedetineerde’.

 In de loop van de tijd leerde ik hem beter kennen en begreep ik van hem dat hij een lange gevangenisstraf uitzat voor een ernstig en onherstelbaar delict. Zijn zelfinschatting bleek aardig te kloppen. Hij staat bekend als een rustige, intelligente en zelfstandige man, die nooit problemen maakt en zoveel mogelijk tijd doorbrengt op de afdeling Onderwijs. Vanaf het begin van zijn detentie heeft hij, deels met hulp, contact gezocht en onderhouden met de slachtoffers van het delict.

 Bij mensen die een lange gevangenisstraf ondergaan zie je vaak een ‘omslagpunt’ op twee-derde of drie-kwart van de tijd van detentie. De langste tijd zit erop en verlof, voorwaardelijke invrijheidstelling en uiteindelijk de ontslagdatum komen in zicht. Dat gaat soms ook gepaard met onzekerheid en angst: ‘Zal ik het wel redden in de wereld ‘buiten’? Is de samenleving niet teveel veranderd en kan ik mij hieraan aanpassen? Lukt het om weer aansluiting te vinden in mijn sociale omgeving, mijn familie? De overgang van het in betonijzer gegoten regime ‘binnen’ naar volledige vrijheid ‘buiten’ is groter dan mensen zich wel realiseren.

 In de periode dat ik hem nu ken maakt hij ook die omslag door. Aan de ene kant heeft hij gloeiend tabak van alles wat er in detentie allemaal niet kan en niet mag en verlangt hij naar een situatie waarin hij zelf, als volwassen vent, beslissingen kan nemen. Aan de andere kant ziet hij als een berg op tegen terugkeer in zijn sociale omgeving, waar het delict heeft plaatsgevonden. Zal zijn sociale omgeving hem weer aanvaarden, of ten minste verdragen?

 Een paar maanden geleden zei hij: ‘Ik heb vreselijk berouw over wat er gebeurd is, over wat ik gedaan heb, maar is dat het dan? Is dat genoeg?’ Ik sloeg aan op zijn vraag of zijn berouw voldoende was. Want berouw dat vraagt of het berouw wel voldoende is, dat is ècht berouw. Ja, dat ís oprecht berouw. In dit ondermaanse zal het niet meer worden. En ja, dat is genoeg!

 

N. is een vast en vertrouwd gezicht op de voorste rij bij de zondagse viering. Het moest zo zijn dat de eerstvolgende keer dat ik mocht voorgaan Lucas 15, de parabel van de Verloren Zoon, of beter: de parabel van de Barmhartige Vader, op het leesrooster stond. En alhoewel ik eigenlijk vind dat je een preek nooit op één persoon mag toeschrijven, heb ik ervoor gezorgd dat één boodschap onmiskenbaar en helder als kristal uit deze evangeliepericoop naar voren zou komen.

In de meest oppervlakkige lezing is Lucas 15 een verhaal over een vader en zijn twee zonen. De jongste zoon heeft zich zijn erfdeel voortijdig toegeëigend en daarmee zijn vader eigenlijk al dood verklaard. Hij verkwist zijn erfdeel in een losbandig leven. Berooid en hongerig is de jongste zoon in den vreemde, waar men hem zelfs de schillen van de varkens niet gunt, tot inkeer gekomen. Hij realiseert zich dat hij al zijn rechten verspeeld heeft, maar hij heeft nog zoveel vertrouwen in zijn vader, dat hij op zijn schreden terugkeert in de hoop een plaats onder de knechten te krijgen. Hij bedenkt zenuwachtig enkele berouwvolle woorden. Zijn vader heeft op hem gewacht en als hij hem al in de verte ziet aankomen snelt hij hem, door medelijden bewogen, tegemoet. Hij omhelst hem en kust hem en herstelt de zoon, al doende, in zijn volledige waardigheid als zoon.

 Sommige gedetineerden hebben moeite om met zichzelf in het reine te komen. Zij vragen zich af of er voor hun verkeerde daden vergeving mogelijk is, bij God en bij de mensen. Zij vragen zich af of hun berouw wel oprecht genoeg en voldoende is. Welnu, vergeving bij de mensen is een moeilijke zaak. Kijk maar naar de reactie van de oudste zoon in het verhaal. Maar vergeving bij God is altijd mogelijk. Kijk maar naar het berouw van de jongste zoon. Het berouw van de jongste zoon was eigenlijk een heel zelfzuchtig berouw, een berouw ingegeven door honger en gebrek. Pas toen kwam de jongste zoon tot inkeer. Maar zelfs dat zelfzuchtige berouw was voldoende. De vader laat de jongste zoon niet eens uitspreken. Op de minste bekeringsbereidheid volgt onmiddellijk de overvloedige vreugde en het herstel in waardigheid als zoon, het herstel in menselijke waardigheid.

(Exegese ontleend aan Joop Smit osa.).

Jezelf vergeven weten bij God kan ons helpen onszelf in de spiegel aan te kijken, onszelf en ons verleden te accepteren, en een nieuw begin te maken met ons leven. En dat is niet alleen iets dat bedoeld is voor mensen die heel concreet iets op hun kerfstok hebben. Het is gericht op alle mensen, vrouwen en mannen, omdat wij -in de stilte van ons hart- allemaal van onszelf weten dàt wij tekort schieten en waarín wij tekort schieten. En wij mogen ook allemaal weten dat wij, desondanks, geliefde mensen zijn. Wij mogen weten dat wie wij ook zijn, wat ons verleden ook is, wat ons ook belast: Eén stap van ons, één stap van ieder mens is voldoende. Voor het overige komt God ons uit eigen beweging tegemoet.

 

Op het moment dat deze column gepubliceerd wordt zitten wij midden in de Adventstijd, de jaarlijkse tijd van uitzien naar de komst van een klein, onooglijk mensenkind, dat uit zou groeien tot een Licht voor de volkeren. Een overbekend Adventslied zingt:

 ‘Zij, die gebonden zaten,

in schaduw van de dood,

van God en mens verlaten -

begroeten ’t morgenrood’.

 

Moge dit werkelijkheid worden voor ‘onze jongens’ en ‘onze meiden’, en ook voor N.

R.K. Justitiepastor Jan, Aalmoezenier

 

 

Copyright © 2022 Justitiepastoraat - Alle rechten voorbehouden